Jongdementie op de werkvloer herken je niet zomaar
Gepubliceerd op:
Het ligt niet voor de hand om aan dementie te denken bij werknemers die minder goed in hun vel zitten of zelfs helemaal uitvallen. Toch ziet bedrijfsarts Jan de Graaf af en toe mensen op zijn spreekuur waarbij hij het vermoeden heeft van dementie. Een casus uit zijn eigen praktijk maakte diepe indruk op hem en deed hem dieper in dit onderwerp duiken. Lees over zijn ervaringen met jongdementie en maak gebruik van zijn tips.
Jan de Graaf werkt al jaren als zelfstandig bedrijfsarts voor diverse organisaties, variërend van de zorg tot de bouw. Een aantal jaar geleden stuitte hij tijdens zijn loopbaan op een complexe casus met jongdementie. Die ervaring leerde hem hoe moeilijk het is om dit ziektebeeld te herkennen.
Kwetsbare groep zonder ziektebesef
Mensen met jongdementie vormen een extra kwetsbare groep omdat ze vaak ziek zijn zonder ziektebesef en de ziekte pas laat herkend wordt. Jan vertelt: ‘Vaak gaan mensen op hun werk minder functioneren wat kan leiden tot demotie of zelfs verlies van hun baan. Er is soms ook kans op ontslag zonder recht op een uitkering. Of mensen gaan na een functioneringstraject voor zichzelf beginnen, dat wordt vervolgens een flop en dan lopen ze grote financiële risico’s. Vaak werden de eerste signalen achteraf al wel op het werk gezien. Als de diagnose dan eindelijk komt is zowel in de werk- als de privésituatie vaak al veel schade ontstaan.’
Als de werkgever signaleert dat iemand echt anders functioneert dan voorheen, is het belangrijk dat hij de werknemer ook verwijst naar de bedrijfsarts. Jan vervolgt: ‘Zolang de diagnose binnen 2 jaar na ziekmelding wordt gesteld, kunnen we nog zorgen voor een zo goed mogelijk financieel vangnet voor de betrokkene. Komt de diagnose te laat, dan lopen de werknemer en zijn gezin allerlei risico’s, zoals een te optimistische beoordeling door het UWV of een gedwongen tweede spoortraject. Dat is een traject gericht op ander werk, terwijl dat eigenlijk helemaal niet haalbaar is omdat ze dat echt niet meer kunnen.’
Als diagnose binnen 2 jaar na ziekmelding wordt gesteld, kunnen we nog zorgen voor een zo goed mogelijk financieel vangnet. Komt de diagnose te laat, dan lopen de werknemer en zijn gezin risico’s.
Jan de Graaf, bedrijfsarts
De casus van Jan
Een aantal jaar geleden verscheen een helpende van midden 50 op het spreekuur van Jan met mentale overbelastingsklachten. Een half jaar na zijn re-integratie, die eerst geslaagd leek, kwam hij echter weer bij Jan terug. Het ging op het werk niet goed, maar dat was voor de werknemer lastig te accepteren en hij herkende dat ook niet. Bij deze bezoeken nam hij vaak zijn broer mee. Beiden waren er stellig van overtuigd geworden dat de werkgever hem wilde ontslaan, maar diezelfde werkgever maakte zich juist oprecht zorgen over deze werknemer. De leidinggevende zag dat meneer minder goed functioneerde dan voorheen, maar kon er niet goed de vinger op leggen wat er nu aan de hand was.
Terug bij af
Jan kreeg een sterker niet-pluisgevoel omdat meneer ook executieve problemen leek te krijgen. Zaken als plannen, overzicht houden en logisch handelen gingen hem steeds minder goed af, dat merkte ook de leidinggevende. Het leek dus verstandig dit verder te onderzoeken. De bedrijfsarts kaartte dit meermaals aan bij de huisarts. De huisarts vond een burn-out echter aannemelijker en voelde lang niets voor een doorverwijzing.
Bewijslast
Maar Jan gaf niet op en bedacht een oplossing om de gesignaleerde beperkingen meer te objectiveren. Hij vroeg een ergotherapeut uit de organisatie een paar dagen op het werk mee te lopen met meneer. Deze constateerde dat er inderdaad van alles misging in de planning en uitvoering van het werk. Op kosten van de werkgever organiseerde Jan met deze informatie zelf een neuropsychologisch onderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat er wel degelijk iets aan de hand was.
Toevalligerwijze nam de dochter van meneer rond die tijd contact op met de leidinggevende. Zij herkende – anders dan haar oom – ook thuis de klachten maar wist niet dat die ook op werk speelden. Met de uitkomst van het neuropsychologisch onderzoek en met steun van de dochter kwam de zaak nu alsnog in beweging. Er volgde een verwijzing door de huisarts naar de neuroloog en er werd een diagnose jongdementie gesteld. Hierdoor kwam de medewerker in aanmerking voor een IVA-uitkering. Helaas waren de klachten en beperkingen al zodanig dat de medewerker kort daarop op een gesloten afdeling voor dementiezorg moest gaan wonen.
In deze casus duurde het ruim 2 jaar tot de diagnose jongdementie werd vastgesteld. Jan trok hieruit een aantal belangrijke lessen die hij graag deelt:
1. Rode vlaggen bij jongdementie signaleer je eerder op het werk dan thuis
Vaak kunnen mensen met jongdementie thuis hun klachten nog aardig camoufleren. Op het werk worden beperkingen vaak sneller zichtbaar, omdat op het werk vaak meer wordt gevraagd en zaken die misgaan eerder opvallen. Gedragsproblemen en executieve problemen zijn rode vlaggen om op te letten; geheugenverlies speelt vaak pas later bij jongdementie. Bij veel professionals is deze informatie nog niet bekend genoeg Zij denken daarom niet snel aan jongdementie, maar eerder aan een psychologische oorzaak. Het is ook goed om te weten dat de standaard dementietests bij de huisarts, zoals de Mini Mental State Examination, bij deze groep een beperkte waarde heeft. Mensen met jongdementie maken deze testen vaak nog aardig goed, zeker in de beginfase van deze aandoening.
Gedragsproblemen en executieve problemen zijn rode vlaggen om op te letten. Geheugenverlies speelt vaak pas later bij jongdementie.
Jan de Graaf, bedrijfsarts
2. Weeg de informatie van naasten zorgvuldig
Naasten van de persoon met jongdementie beschikken vaak over waardevolle informatie om te komen tot de juiste diagnose. Maar vertrouw niet zonder meer op de informatie van slechts een naaste. Wees waar nodig creatief. Als de partner je niet verder kan helpen, vraag dan een dochter of zoon of iemand anders uit het netwerk. Betrek bij voorkeur ook iemand van het werk bij de heteroanamnese. Voor de huisarts is de bedrijfsarts daar de aangewezen gesprekspartner voor.
3. Kies voor samenwerking en gespecialiseerde diagnostiek
Om tijdig tot een juiste diagnose te komen, is het van groot belang dat de huisarts en de bedrijfsarts samen optrekken en signalen van de werkvloer serieus nemen. Bij een vermoeden van jongdementie is ook het advies om onderzoek te laten doen door een geheugenpoli of een gespecialiseerde neuroloog, omdat het vaststellen van jongedementie vaak meer gerichte expertise vraagt dan ‘gewone’ dementie.
Tip voor casemanagers
Is jouw cliënt met jongdementie in loondienst? Zorg dan dat je cliënt vlot in contact komt met een geregistreerde bedrijfsarts. Dat kan ook preventief, dus zonder dat er al sprake is van een ziekmelding. De bedrijfsarts heeft een medisch beroepsgeheim dus samen met de cliënt kan de bedrijfsarts kijken wat de beste route is in het werk, wanneer werken nog kan en wanneer er toch een ziekmelding moet komen. Vaak is het sturen op een IVA-uitkering de meest voor de hand liggende optie. Dat komt door zowel de aard van de beperkingen als de vaak snelle toename ervan. Het is daarbij helpend als de casemanager de cliënt vergezelt bij het bezoek aan de bedrijfsarts.
Het kan ook anders
Nog niet zo lang geleden zag Jan opnieuw een werkneemster op zijn spreekuur die door een oplettende werkgever was doorgestuurd vanwege functioneringsproblemen, terwijl ze jaren een prima medewerker was geweest. Jan signaleerde dat mevrouw steeds meer teruggetrokken en onverschillig reageerde en dat haar taalniveau oppervlakkiger en minder gedetailleerd werd. Hij nodigde ook de partner uit en die vertelde dat zijn vrouw thuis ook anders was dan voorheen. Rode vlaggen genoeg voor Jan om de huisarts te contacten met zijn vermoeden van jongdementie. De huisarts nam het belletje van Jan serieus, nodigde het echtpaar uit op zijn spreekuur en verwees mevrouw door naar de neuroloog. Die signaleerde beginnende Alzheimer.
Meer lezen over jonge mensen met dementie?
Ga naar de website van het Kenniscentrum Dementie op Jonge Leeftijd. Hier lees je ook artikelen waarvan Jan de Graaf medeauteur is.